Een lastig onderwerp
Kwame: Het is jammer dat je niet van voetbal houdt, Driss. Vanavond speelt Ajax.
Sarah: Afschuwelijk, ik snap niet waarom je het leuk vindt om naar een wedstrijd te gaan waar de supporters zo racistisch zijn.
Kwame: Racistisch?
Sarah: Heb je ze nooit horen sissen.
Kwame: Sissen?
Sarah: Ja, sissen en “Hamas, hamas, alle joden aan het …..”.
Driss: Daarom ga ik nooit naar een wedstrijd.
Sarah: Vorige week werd het zelfs in de klas geroepen. Daar voel ik me toch niet echt lekker bij.
Kwame: Hoe reageerde de leerkracht?
Sarah: Niet, hij deed net alsof hij het niet hoorde.
Kwame: Belachelijk!!
Sarah: Da’s niet altijd zo, hoor. De docent van maatschappijleer durft het wel.
Kwame: Hoezo durven?
Sarah: Ik merk dat er altijd felle discussies komen en dat leerlingen direct aan Israël en Palestina
denken. Iedereen heeft meteen zijn mening klaar. Ik vind het dan best lef hebben om over zo’n lastig onderwerp in de klas te praten.
Hé, daar loopt hij, onze maatschappijleerdocent, eens kijken wat hij ervan vindt.
Kwame: Hallo meester.
Docent: Hallo Kwame, lekker van de pauze aan het genieten?
Sarah: Meester, wat vindt u hiervan? Vorige week werd er in de klas gesist en “Hamas, hamas, alle joden aan het …” geroepen. Kan dat? De docent deed niets.
Docent: Nee, natuurlijk kan dat niet. Ik kan me wel voorstellen dat het lastig is maar als docent moet je daar altijd wat van zeggen.
Sarah: Ik vind die leerlingen echt racisten.
Docent: Ho, zo eenvoudig is dat niet!
Driss: Nee, het zijn geen racisten maar antisemieten. Je weet wel, mensen die tegen joden zijn.
Docent: Nee, dat bedoel ik niet, Driss. Je hebt wel gelijk dat we dat antisemitisme noemen. Maar ik bedoel dat je die leerlingen niet zo snel moet veroordelen. Vaak weten ze niet wat ze zeggen en nemen ze het klakkeloos over van anderen. Of ze vinden het leuk om te provoceren.
Sarah: Maar dan vind ik het nog fout. Zeker omdat die docent niets deed terwijl hij precies hoorde wat ze zeiden.
Docent: Ik hoor van collega’s dat ze het moeilijk vinden om heftige discussies over het onderwerp te leiden. Ze vinden niet dat het hun taak is en dat het thuis hoort in de maatschappijleerles. Dat vind ik niet. Zeker als leerlingen zulke opmerkingen maken. Dan moet iedere docent daar wat van zeggen.
Driss: Eigenlijk moet je er altijd wat van zeggen. Maar thuis ga ik de discussie niet meer aan. Altijd die opmerkingen over de Amerikanen en de Israëli’s!!
Docent: Wat hoor je dan?
Driss: Nou, wat de Duitsers toen met de joden deden, doen ze nu zelf met de Palestijnen.
Kwame: Maar het zijn toch altijd de moslims die rotzooi trappen.
Docent: Dat bedoel ik nou! De holocaust en de situatie in het Midden Oosten zijn andere zaken. Zo wordt het een chaos en snapt niemand er meer iets van.
Kwame: Wat is holocaust?
Sarah: Weet je dat niet????
Driss: Kijk daarom wil ik daar niet over meepraten. Je bent meteen een jodenhater.
Sarah: Dat bedoel ik helemaal niet.
Docent: Ik kan me voorstellen dat Kwame niet weet wat het woord holocaust betekent. Het gaat over jodenvernietiging in de Tweede Wereldoorlog.
Kwame: Dat weet ik wel. Ik weet alleen niet wat holocaust betekent. En ik stel een vraag, dan ben ik toch niet meteen een jodenhater??
Docent: Nee, Kwame. Maar het onderwerp ligt in Nederland heel gevoelig.
Kwame: Maar dan moet ik juist vragen stellen want dan kan ik me voorstellen wat het betekent.
Docent: Dat is waar, Kwame, vragen stellen is goed. Misschien moeten we er een ander keer verder over praten. Nu moet ik weg.
(docent loopt snel door)
 |